“Geluk ligt niet ver weg, het is zo te vinden. Je hoeft je hand maar uit te steken, je moet alleen even weten waar. Nu lopen we er zogezegd in het donker langs terwijl het vlakbij is, en botsen we juist tegen de dingen waar we zo naar verlangen.” – Seneca

Een dun straaltje bloed sijpelt over mijn been. Een venijnige tak had even ervoor een stevige uithaal gedaan. Of misschien was het eerder andersom: ik deed een uithaal met mijn been en de tak wist van geen wijken. Ik was in mijn element.

De eerste week van mijn 7K a Day Challenge zit erop. Al recappende – dat is denk ik (nog) geen woord in de Nederlandse taal – concludeer ik dat mijn benen wel degelijk moeten wennen aan een dagelijkse hardloopbelasting, ook al is de omvang niet meer dan zo’n 7 kilometer per dag.

Opvallend is wel dat het me, net als de andere onderdelen van de challenge – afwisselend ademhalingsoefeningen en meditatie, en elke dag opschrijven waarvoor ik dankbaar ben – een opgewekter persoon maakt.

Puur toevallig, nog onwetende dat het zoveel van doen zou hebben met mijn challenge, griste ik dit weekend het boek Op naar geluk van Ap Dijksterhuis uit de kast van de bibliotheek en begon enthousiast te lezen.

Niet geheel verrassend vallen activiteiten als, en ik citeer, ‘regelmatig sporten, regelmatig mediteren, regelmatig opschrijven waarvoor je dankbaar bent’ onder zaken die ons op lange termijn meer geluk brengen. Gelukkig word je, volgens Ap Dijksterhuis, van ‘dingen doen, het liefst met of voor anderen’.

Ik sloot de week af met een nieuw bedacht hardloopavontuur. Toen ik enkele kilometers diep het bos was ingedoken, pakte ik mijn kompas tevoorschijn. Ik had van tevoren uitgedokterd dat als ik op een bepaald punt, laat ik het punt X noemen, zou beginnen en vanaf daar oostwaarts zou togen, ik bij punt Y uit zou komen.

Het klopte. Bijna dan.

Al was het wel een vreemd avontuur. Van de gebaande paden af, iets wat officieel niet mag, maar in het kader van ‘soms moet je dingen doen die wat met de adrenaline doen’ deed ik het toch – de boswachter was in geen velden of wegen te bekennen.

Het was een nieuwe ervaring, ik werd er blij van en wurmde me, zonder alle kruisende bomen en in bloei staande struiken naar de vernieling te helpen omdat mijn kompas dat zei, van X naar Y en wist de werking van een kompas te ervaren. Toch haalde ik mijn benen her en der open. Ach, dat beetje bloedverlies.

Daarnaast maakte ik een spontaan praatje met een wandelend echtpaar uit Den Haag, zij gewoon Nederlandse, hij, aan zijn Nederlands-met-accent te horen, afkomstig uit een Engelstalig land. Ze waren dolgelukkig met de paar spetters regen, want die verdelgen, zoals bekend, de meeste mensen naar hun auto.

Ik weet niet wat het meest opgaat. Dat Scandinavische gezegde dat vertelt dat slecht weer niet bestaat, maar slechte kleding wel: zijn de meeste mensen nou bevreesd voor slecht weer of hebben ze slechte kleding? Of is het een combinatie van die twee?

Je weet toch nog wel dat je als kind heel blij werd van in de plassen stampen? Enfin. Ik was, samen met het wandelend echtpaar, ook heel blij dat al die wandelaars die deze dagen massaal extravagante schoenen kopen om te gaan wandelen, deze vooral kopen voor de dagen waarop je ze het minst hard nodig hebt: de warme, droge en zonnige.

Als je de andere verhalen over mijn challenge wilt lezen kun je hier klikken of hardlooptechnisch gezien kun je me volgen op Strava.

Laat een reactie achter